Module 2: Arbeid en Productie

Hoofdstuk 5

Paragraaf 1: De Patatkraam

 

Produceren = het voortbrengen van goederen en/of diensten

Bij het produceren heb je drie soorten productiefactoren nodig:

ü      Natuur: zon, licht, water, grondstoffen uit de bodem

ü      Arbeid: de inzet van mensen bij het produceren

ü      Kapitaalgoederen: gereedschappen, computers, auto's, gebouwen

1. Produceren in de formele sector: de producten of diensten worden tegen betaling verkocht en geregistreerd (legaal = toegestaan, gecontroleerd)

Dit gebeurt door bedrijven(fabrieken, aannemers enz.)  maar ook door de overheid (ambtenaren, gezondheidszorg)

2. Produceren in de informele sector: de producten of diensten worden geleverd zonder betaling (gezin...bv de afwas doen, de ramen zemen) of tegen betaling (maar niet legaal, dus zwart...zonder belastingen en dus niet geregistreerd)

 

productie in de ruime zinà formele en informele sector

productie in de enge zin  à alleen de formele sector 

 

Paragraaf 2: De Timmerfabriek

 

Natuur (iets verder uitgewerkt)

De productiefactor natuur levert aan producenten eigenlijk twee dingen:

  1. de grondstoffen (bomen, ijzererts, steenkool, graan enz)
  2. de ruimte: lucht, grond om te wonen en te werken

 

Kapitaalgoederen (iets verder uitgewerkt)

De voorraden grondstoffen in een bedrijf en de voorraad eindproducten (producten die al klaar zijn maar nog niet verkocht) horen bij de kapitaalgoederen van een bedrijf. Er zit namelijk al geld van het bedrijf in deze twee voorraden.

Ook het gebouw zelf en de machines en gereedschappen horen bij de kapitaalgoederen.

 

Arbeid (iets verder uitgewerkt)

Bedrijven investeren (geld stoppen) in personen (opleidingen, trainingen, cursussen, beloningen) maar ook in apparatuur (machines, computers)

 

Door automatisering (het vervangen van mensenwerk door computers en machines) is veel industrie kapitaalintensief geworden: dat betekent dat er veel kapitaalgoederen gebruikt worden bij het produceren in verhouding tot de hoeveelheid arbeid.

 

Andere bedrijven zijn juist arbeidsintensief: dat betekent dat er veel arbeid (mensenwerk) gebruikt wordt bij het produceren in verhouding tot de hoeveelheid kapitaalgoederen

 

Voorbeeld kapitaalintensief bedrijf: autofabrieken (robots), container overslag bedrijf

Voorbeeld arbeidsintensief  bedrijf: advocaat, kapper, glazenwasser

 

Paragraaf 3: de Kaasspeciaalzaak

 

Bedrijfskolom: de weg (de verschillende schakels) die een product heeft afgelegd vanaf de producent tot dat het in de winkel ligt voor de consument.

Elke schakel in die bedrijfskolom voegt waarde toe aan het product. Dit betekent niets anders dan dat ieder bedrijf wat in de bedrijfskolom van een product zit aan dat product geld verdient.

 

Voorbeeld bedrijfskolom brood:  boer (tarwe, graan) à meelfabriek à groothandel in tarwe, meel, enz. à bakker, supermarkt à consument

 

Sommige schakels doen echt iets met het product zelf (boer, meelfabriek, bakker) sommige zorgen alleen dat het goed verkocht kan worden (groothandel, supermarkt)

Iedere schakel in de bedrijfskolom voor brood wil daar natuurlijk aan verdienen, voegen dus waarde toe aan het product.

 

Een bedrijfstak noemen we alle bedrijven die dezelfde functie hebben binnen verschillende bedrijfskolommen. Bijvoorbeeld alle boeren ( de één verbouwt graan, de ander houdt koeien of varkens, de ander kweekt groente.....ze zitten allemaal aan het begin van de bedrijfskolom.

 

 

Paragraaf 4: de schoenenwinkel

 

Afzet = het aantal verkochte producten of artikelen in een bepaalde periode.

BTW = belasting toegevoegde waarde, 6% op de noodzakelijke levensbehoeften en 19% op de andere goederen. Deze belasting wordt door de winkeliers in rekening gebracht bij de klanten, maar de winkeliers moeten de belasting weer afdragen (betalen) aan de belastingdienst. De winkeliers ontvangen dus wel BTW, maar mogen het bedrag niet zelf houden.

Omzet = verkoopprijs van alle verkochte producten in een bepaalde periode exclusief (zonder) BTW. 

         

                           Omzet = afzet x verkoopprijs (excl. BTW) per product  

 


Inkoopwaarde van de verkopen =  de inkoopprijs die de winkeliers hebben betaald voor de producten die ze hebben verkocht.

 


                           Brutowinst = Omzet - Inkoopwaarde van de verkopen

 

 

Omzet van bedrijf A:  € 280.000,- (aantal verkochte artikelen x prijs per artikel)

Inkoopwaarde            € 190.000,- (de prijs die het bedrijf zelf heeft betaald voor de

                               -/-                     artikelen)

Brutowinst bedrijf A:  €   90.000,-

 

 

 

Paragraaf 5: De Kledingboetiek

 

In de vorige paragraaf is uitgelegd:

 omzet - inkoopwaarde = brutowinst

 

Deze brutowinst geeft de ondernemer alleen maar informatie over de inkoopprijs en de verkoopprijs van de verkochte producten of diensten.

 

In de brutowinst zitten nog twee onderdelen:

  1. de bedrijfskosten
  2. de nettowinst

 

1. De bedrijfskosten: de ondernemer kan niet zomaar producten of diensten inkopen en dan weer verkopen. Hij heeft te maken met allerlei soorten kosten:

ü      loonkosten (kosten voor salaris van het personeel (en hijzelf soms)

ü      autokosten (houderschapsbelasting, onderhoud, verzekering, brandstof of de leasekosten van auto's)

ü      afschrijvingskosten (waardevermindering van duurzame productiemiddelen à om die vervangen moet je geld reserveren)

ü      huisvestingskosten (huur, onderhoud, schoonmaak...)

ü      rentekosten (boete die je kwijt ben als je geld leent)

ü      verkoopkosten (promotie, sponsoring, reis- en verblijfskosten)

ü      enz.

2. De nettowinst: de nettowinst is meestal voor de eigenaar van de onderneming. Hij kan dit geld gebruiken voor zijn eigen inkomen (salaris), of om het weer in de zaak te stoppen (investeren) bijvoorbeeld om te moderniseren of te vervangen of uit te breiden)

variabele kosten en vaste of constante kosten:

De kosten nog even kort toegelicht: sommige kosten zijn afhankelijk van de hoeveelheid die je maakt of verkoopt. Andere kosten heb je altijd, of je nu veel of weinig maakt of verkoopt. De kosten die mee veranderen met de hoeveelheid productie of verkoop noem je variabele kosten. De kosten die niet zo afhankelijk zijn van de verkoop of  productie noemen we vaste kosten of constante kosten.

Voorbeelden variabele kosten: inkoopwaarde, verpakkingskosten, gedeelte van de verkoopkosten)

Voorbeelden van vaste kosten of constante kosten: huur, loon personeel, afschrijvingskosten, rente kosten enz.

 

Afschrijvingskosten  per jaar bereken je als volgt:

 (aanschafwaarde - restwaarde)    =

               gebruiksduur

 

aanschafwaarde = de prijs waarvoor je het duurzaam productiemiddel hebt aangeschaft (dit bedrag wil je weer bij elkaar gaan sparen om over een aantal jaren weer een nieuwe te kunnen kopen)

restwaarde = de geschatte inruilwaarde als je het productiemiddel gaat verkopen

(deze restwaarde haal je van de aanschafwaarde af omdat je dit bedrag zelf niet hoeft te 'sparen', je krijgt het immers op het moment dat je het verkocht hebt

gebruiksduur = de geschatte tijd dat je het productiemiddel zal gaan gebruiken

 

 

paragraaf 6: De computershop

 

Voordat de winkelier of een andere ondernemer zijn producten of diensten verkoopt zal hij eerst de verkoopprijs moeten berekenen;

1. De inkoopprijs (de prijs die hij zelf heeft betaald voor de producten)

      2. De brutowinst (een % van de inkoopprijs waarin de bedrijfskosten en de

                                    Nettowinst zitten)

1 en 2 bij elkaar opgeteld is de verkoopprijs zonder BTW

 

de brutowinstmarge bereken je als volgt: brutowinst : inkoopwaarde x 100   =

(meestal gaat men uit van de gegevens van het jaar er voor)

voorbeeldsom: de inkoopwaarde van vorig jaar was € 400.000 ,- van een bepaalde artikelgroep. De brutowinst bedroeg € 120.000,- De ondernemer verwacht voor dit jaar geen veranderingen. Bereken de brutowinstmarge:

120.000 : 400.000 x 100 = 30% brutowinstmarge voor dit jaar voor deze artikelgroep

 

Een artikel uit deze artikelgroep heeft een inkoopprijs van  € 24,- Wat zal de verkoopprijs worden van dit artikel zonder BTW?

 

Inkoop                                               € 24,00

Brutowinstmarge 30% vd inkoop  €   7,20 +   (berekening: 100 x 30 = 7,20)

Verkoopprijs zonder BTW             € 31,20

 

Hier moet de BTW nog bij.Afhankelijk van het artikel is dat 6% of 19%. We gaan nu even uit van 19%

 

Inkoop                                               € 24,00

Brutowinstmarge 30% vd inkoop  €   7,20 +   (berekening: 100 x 30 = 7,20)

Verkoopprijs zonder BTW             € 31,20

BTW 19% (van 31,20)                  €    5,93 +   (berekening: 31,20 : 100 x 19 = 5,93)

Verkoopprijs met BTW                  €  37,13

 

 

Paragraaf 7: Het scooterhuis

 

Een ondernemer zal altijd proberen zijn nettowinst te verhogen. Dit is gunstig voor de eigenaar (eigenaren), maar ook voor het bedrijf (uitbreiden, investeren).  Hoe meer Eigen Vermogen de zaak krijgt, des te groter het vertrouwen bij een bank als je een lening wilt hebben en hoe beter je reserve is als er een keer een jaar iets niet goed gaat.

 

De nettowinst kan stijgen door:

  1. hogere verkoopprijzen (wel blijven verkopen, niet dat je te duur wordt in vergelijking met je concurrenten)),
  2. lagere inkoopprijzen (altijd gunstig),
  3. goede promotie (kost geld, maar kan meer omzet dan de extra kosten opleveren) of
  4. besparing of bezuiniging op de bedrijfskosten. (dit kan door personeel te vervangen door machines, minder personeel en harder laten werken, minder sponsoring, geen auto meer van de zaak, goedkopere auto's gebruiken enz. enz.)

 

 

HOOFDSTUK 6: WERKEN

Paragraaf 1: studie en beroep

 

Indeling van bedrijven en beroepen in de vier sectoren:

  1. primaire sector: agrarische bedrijven (veeteelt, tuinbouw, akkerbouw) visserijbedrijven en mijnbouw : beroepen: boer, boswachter, visser, mijnbouwer
  2. secundaire sector: industrie en bouwnijverheid: deze bedrijven verwerken grondstoffen tot een eindproduct of een halffabrikaat (gedeelte van een eindproduct): beroepen: constructeur, kraanmachinist, metaalbewerker,
  3. tertiaire sector: dienstverlenende bedrijven die winst willen maken ( de zogenaamde commerciële dienstverlening) : horeca, banken en detailhandel (verkoop aan consumenten) beroepen: kelner, bankmedewerker,  kassa - medewerker, verzekeringsagent....
  4. kwartaire sector: dienstverlenende bedrijven zonder winstbedoeling: verzorging, ziekenhuis, onderwijs, politie: beroepen: agent, leraar, ambtenaar,

 

In alle sectoren zijn ook een aantal beroepen altijd aanwezig die in principe niets met de sector te maken hebben maar die daar wel werken:

Eigen beveiligingsbeambte van een bedrijf, boekhouder, schoonmaker enz.

In het Middelbaar Beroeps Onderwijs kun je allerlei opleidingen volgen die je klaarstomen voor een beroep in één van de sectoren. Voordat je aan een opleiding begint moet je wel weten in welke sector je wilt gaan werken en welk beroep je later wil gaan uitoefenen

 

Paragraaf 2: samenwerken in een bedrijf:

 

Bij elk wat groter bedrijf heb je verschillende afdelingen die er samen voor zorgen dat het bedrijf goed kan functioneren: voorbeelden: inkoop, verkoop, administratie, directie, receptie, systeembeheer, personeel en organisatie enz.

Binnen een bedrijf, en binnen de afdelingen, heb je verschillende soorten functies:

  1. leidinggevende functies (directies, chefs, managers enz.)
  2. uitvoerende functies (mensen die contact hebben met de klanten, inkopers, mensen die aan het product werken) zoals: timmerman, loodgieter, inkoper, kassa -medewerker enz.)
  3. (de staffuncties): (deze ondersteunen de andere functies: boekhouders, secretaresse, systeembeheerders enz. )

     Banen kun je indelen in :

a.      geschoold werk: hiervoor heb je een (vak)opleiding nodig, anders kun je dat beroep niet goed uitvoeren

b.      ongeschoold werk: hiervoor heb je niet echt een opleiding nodig

 

Werk verandert steeds. Door automatisering en nieuwe regelgeving of nieuwe uitvindingen of meningen moeten veel werknemers steeds worden geschoold:

Dat kan op twee manieren:

  1. bijscholing: je vak weer even op peil brengen...nieuwste ontwikkelingen leren, zorgen dat je alles wat je doet in je werk dat je dat goed blijft doen. Huisartsen moeten elk jaar bijscholen om de nieuwste medische ontwikkelingen te weten.
  2. omscholing: een totaal ander beroep gaan doen waarvoor je weer alles moet gaan leren

 

 

paragraaf 3: Vakantiewerk

 

arbeidsovereenkomst: schriftelijke (of soms mondelinge) afspraak tussen werkgever en werknemer om tegen betaling van loon arbeid te verrichten.

Een arbeidsovereenkomst kan per werknemer worden afgesloten. In de arbeidsovereenkomst staan de arbeidsvoorwaarden voor de werknemer.

Een arbeidsovereenkomst eindigt:

  1. als de werkgever of de werknemer de overeenkomst in de proeftijd (wettelijk 2 maanden) opzegt, dit kan zonder reden gedaan worden.
  2. als de ouders van minderjarigen binnen 4 weken bezwaar maken
  3. als de afgesproken periode van arbeid is verlopen (bv ziektevervanging, zwangerschapsverlof)
  4. als de opzegtermijn is verstreken (bv 3 maanden opzegtermijn)
  5. als er ontslag op staande voet is (de werknemer heeft gestolen of iemand bedreigd of werk geweigerd)

De afgesproken arbeidsvoorwaarden moeten voldoen aan de wet en aan de cao (collectieve arbeidsovereenkomst die geldt voor een branche of bedrijfstak)

Een CAO wordt afgesloten door een werkgeversorganisatie MKB Nederland, VNO NCW) en een vakbond (werknemersorganisatie) zoals de FNV of CNV

Er zijn wettelijke regels waar iedere werkgever en werknemer zich aan moet houden:

-          minimum loon of jeugdloon: lager dan dat loon mag niet betaald worden

-          de arbeidstijdenwet, rusttijden en werktijden zijn hierin geregeld

Ook de afspraken die bij de CAO gemaakt zijn moeten aan de wet voldoen

Flexwet = een wet die speciaal gemaakt is voor arbeiders die niet regelmatig werken (flexibele werktijden), ook hier staan rechten in op vakantiedagen en vergoedingen.

 

 

Paragraaf 4: De Collectieve arbeidsovereenkomst

 

Ion de CAO staan regels over:

1. Het loon: de hoogte ervan, de loonsverhoging in een periode

2. Eventuele extra beloningen (winstuitkeringen, 13e maand, auto vd zaak en andere vergoedingen, hoogte van betalingen door  overwerk)

3. recht op scholing en studie

4. aantal vakantiedagen en afspraken over ADV (arbeidsduurverkorting) of ATV (arbeidstijdverkorting)

5. wanneer de werknemers met pensioen mogen

 

Arbeiders kunnen altijd informatie krijgen over de CAO van hun bedrijf bij de vakbonden (daar moet je dan wel lid van zijn) of bij hun eigen bedrijf bij de afdeling personeelszaken

 

Het loon van een werknemer wordt bepaald door:

  1. de functie die hij of zij heeft
  2. de loonschaal die bij deze functie hoort. Die loonschaal heeft een aantal periodieken. Als een werknemer een periodiek er bij krijgt gaat zijn loon omhoog. Dit kan per jaar plaatsvinden, maar ook voor bijvoorbeeld na het behalen van een diploma of na zeer goed functioneren.

 

 

Paragraaf 5: betaald of onbetaald werk

 

Redenen om betaald werk te gaan doen:

  1. het loon dat je er voor krijgt (noodzakelijk om in je levensonderhoud te voorzien)
  2. samenwerking met collega's
  3. het vergroten of op peil houden van je kennis en vaardigheden

De Arbowet (arbeidsomstandighedenwet) is gemaakt om:

ü      het werk veiliger te maken (regels voor bv de bouw), voorkomen van ongelukken

ü      het werk niet ongezond te laten zijn (voldoende frisse lucht enz.)

Redenen om onbetaald werk (thuis) te doen zijn:

  1. zorgen voor de kinderen (om bv geen dure kinderopvang te hoeven betalen)
  2. minder verplichtingen, je tijd en werk zelf kunnen indelen
  3. er is geen noodzaak om betaald werk te doen
  4. vrijwilligerswerk

In Nederland wordt veel parttime gewerkt (gedeeltelijk betaalde baan)

Ø      om meer tijd te hebben voor gezin en huishouding

Ø      het gezinsinkomen is hierdoor lager

Ø      sommige uitgaven hoef je niet te doen( schoonmaakster, kinderopvang)

de redenen om wel of niet, of minder te gaan werken noem je arbeidsmotieven

 

 

Paragraaf 6: werk over en te kort

 

Het aanbod van arbeid noem je de beroepsbevolking:

Dit zijn alle mensen tussen de 15 en 65 jaar die beschikbaar zijn voor een baan van meer dan 12 uur per week. Beschikbaar betekent hier dat je een baan hebt of er naar op zoek bent.

Studenten en scholieren worden niet meegerekend. Mensen die niet kunnen werken door een handicap of mensen die geen betaalde baan willen (huishouden) worden ook niet tot de beroepsbevolking gerekend.

Werkgelegenheid = de vraag naar arbeid. Deze bestaat uit:

  1. mensen met een betaalde baan (de arbeidsplaatsen die bezet zijn) en
  2. de vacatures (de arbeidsplaatsen die niet bezet zijn)

Bij een tekort op de arbeidsmarkt :

ü      kunnen werkgevers moeilijk werknemers vinden

ü      kunnen werknemers hogere eisen (loon) stellen

ü      worden de arbeidsvoorwaarden vaak verbeterd

ü      heb je als werkzoekende een grotere kans op een baan

Bij een overschot op de arbeidsmarkt:

ü      is er werkloosheid

ü      heb je weinig kans op een baan als werkzoekende

ü      is de kans groot dat de arbeidsvoorwaarden verslechteren

 

De arbeidsmarkt is de vraag en het aanbod van arbeiders. Een tekort op de arbeidersmarkt betekent te weinig aanbod van werknemers en een overschot op de arbeidersmarkt betekent te veel aanbod van werknemers

 

 

Paragraaf 7: kansrijk en kansarm

 

Allochtone mensen (mensen, of hun ouders, van buitenlandse afkomst) hebben soms meer moeite om een baan te vinden dan autochtone mensen (mensen die in Nederland geboren zijn en Nederlandse ouders hebben). Dit komt vaak door:

  1. het minder goed beheersen van de Nederlandse taal
  2. het niet erkennen van hun buitenlandse opleiding
  3. discriminatie door de werkgevers. (discriminatie = onderscheid tussen mensen maken op grond van hun afkomst, geloof, geslacht of huidskleur)

 

De beloning voor arbeid van mannen is gemiddeld hoger dan voor vrouwen:

Oorzaken

-          mannen hebben vaak de betere banen

-          vrouwen werken vaker in deeltijd omdat ze voor de kinderen willen zorgen

-          discriminatie door werkgevers

 

De arbeidsmarkt verandert sterk, dit komt door:

  1. het percentage vrouwen in de beroepsbevolking neemt toe
  2. steeds meer mensen gaan in deeltijd werken
  3. het aantal typische mannenberoepen en vrouwenberoepen daalt.
  4. er kan steeds meer vanuit huis gewerkt worden

 

 

Hoofdstuk 7: werkloos

Paragraaf 1: Het CWI

 

Als je ontslagen bent of je hebt nog geen werk als je je diploma hebt gehaald dan kun je je laten registreren bij het CWI (Centrum voor Werk en Inkomen)

De taken van het CWI zijn:

Ø      het registreren van werkzoekenden

Ø      verzamelen van de vacatures (onvervulde banen)

Ø      doorsturen van werkzoekenden naar instanties die hen aan een baan kunnen helpen

Ø      regelen van de aanvraag van een werkloosheidsuitkering

Als je ontslagen bent heb je vaak minder inkomen( tenzij je een gouden handdruk krijgt = vergoeding van de werkgever voor ontslag)

Je inkomen na ontslag:

-          WW uitkering (% van je laatst verdiende loon met een maximumgrens)

-          Bijstanduitkering (als je niet in aanmerking komt voor een ww uitkering)

-          Geen uitkering als je partner teveel verdient of je te veel geld hebt

Bij een stijgende werkloosheid moet de regering meer geld uitkeren aan werklozen. Dat leidt tot spanningen, de hoogte van de uitkeringen komen dan vaak ter discussie te staan. Ook is er dan vaak sociale onrust (stakingen, demonstraties enz.)

 

 

Paragraaf 2: geregistreerd en verborgen

 

De werklozen kun je indelen in twee groepen

  1. de geregistreerde werklozen: deze mensen zijn op zoek naar een baan en zijn meer dan 12 uur per week beschikbaar voor de arbeidsmarkt) Wil men minder dan 12 uur werken of is men zwaar gehandicapt dan hoort men niet bij de geregistreerde werklozen.
  2.  de verborgen werklozen:

a.De huisvrouwen (of huismannen) die geen baan hebben en zich niet 

   ingeschreven hebben bij het CWI

     b.Scholieren die werk zoeken (zitten nog op school, maar willen eigenlijk een

        baan)

     c. arbeidsongeschikten die een aangepaste baan zoeken

De werkgelegenheid is vaak groter dan dat bekend is:

  1. ondernemers melden hun vacatures niet bij het CWI
  2. zwart werk (banen worden wel gedaan, maar officieel niet....geen belasting over het salaris)

Door zwartwerk is de werkloosheid dus kleiner dan de cijfers aangeven.

 

 

Paragraaf 3: Op zoek naar een baan

 

De werkgelegenheid is in Nederland niet helemaal goed verdeeld. In sommige regio's of provincies zijn meer werklozen dan in andere.

Dit noemen we regionale werkloosheid = in bepaalde regio's zijn minder banen omdat er minder bedrijven zijn en dit komt vaak omdat er in bepaalde regio's veel minder mensen wonen dan in bv de Randstad.

 

Soms is werk ook seizoengebonden. Dat betekent dat er in bepaalde bedrijven in de zomers meer werk is te vinden dan in de winter. Denk aan de land- en tuinbouw, de schilders en andere buitenberoepen (horeca...terrassen) Ook hierdoor ontstaat werkloosheid. Dit noemen we seizoenwerkloosheid.

 

Om een baan te vinden die je graag wilt hebben moet je beschikken over:

-          een geschikt diploma (of de juiste scholingen of bijscholingen hebben gedaan)

-          een goede sollicitatie vaardigheid (brief en gesprek)

-          ervaring of stage

 

 

Paragraaf 4: op zoek naar personeel

 

Structurele werkloosheid = werkloosheid die ontstaat door een verandering bij de productie van goederen en diensten.

1. Als bedrijven gaan sluiten omdat in andere landen de lonen veel goedkoper zijn, of de milieu eisen veel minder zwaar.

2. Door automatisering waardoor machines het werk van mensen overnemen

3. Het verdwijnen van bepaalde goederen (die niet meer worden gemaakt)

4. Door het niet op elkaar aansluiten van vraag naar en aanbod van arbeid.

 

Als de vraag naar en het aanbod van arbeid niet goed op elkaar aansluiten dan zijn er vacatures en werkzoekenden tegelijk. Dit kan komen door verkeerde opleidingen, teveel personeel in een bepaalde beroepsgroep door bijvoorbeeld massa onstlag.

Oplossingen om dit tegen te gaan:

  1. deeltijdwerk mogelijk maken
  2. aanpassingen van het werk of de werkplek (voor arbeidsongeschikten)
  3. goede kinderopvang (werkloze vaders/moeders die kinderopvang te duur vinden)
  4. scholing (omscholing of bijscholing)

 

Paragraaf 5: de kaarsenfabriek

 

Als er een tekort aan arbeiders is dan is dat gunstig voor de arbeidsvoorwaarden voor de mensen die werken:

  1. betere lonen
  2. betere werktijden
  3. betere secundaire arbeidsvoorwaarden (auto, gsm enz.)

De nadelen van betere arbeidsvoorwaarden:

-          hogere lonen voor de werkgevers\

-          de kosten per product zullen daardoor stijgen

-          daardoor slechtere positie ten opzichte van de concurrent

Een verliesgevend bedrijf (door bv hogere kosten dan de concurrent) kan het een tijdje volhouden als er genoeg Eigen Vermogen of bezittingen zijn die veel waard zijn. Als verlies te lang duurt kan het leiden tot faillissement. (dat betekent dat het bedrijf niet meer haar schulden kan betalen)

Arbeidsduurverkorting: kortere werktijden voor het personeel, waardoor er meer werkgelegenheid komt omdat het werk toch gedaan moet worden.

De kosten per product dalen door: lagere lonen en langere bedrijfstijden (machines draaien langer en kunnen dus meer producten maken)

 

 

Paragraaf 6: Goede tijden slechte tijden

 

Als de economie minder wordt gaan veel consumenten minder kopen(besteden)en bedrijven minder kopen(investeren), hierdoor daalt de productie (het wordt namelijk niet verkocht)

Dit noem je een laagconjunctuur (geen vertrouwen in de economie) en dat veroorzaakt conjuncturele werkloosheid.

Ook het buitenland is belangrijk hierin. Als de economie in het buitenland goed draait zullen veel buitenlandse bedrijven in Nederland gaan kopen (export voor Nederland)

Als er minder gekocht wordt verkopen bedrijven minder, ontslaan bedrijven personeel, die hebben weer minder geld om producten te kopen en dat zorgt voor nog meer werkloosheid

Als de bestedingen van consumenten en investeringen van bedrijven stijgen dan spreek je van een hoogconjunctuur. Daardoor komt er meer vraag naar producten en daalt de werkloosheid omdat er meer personeel nodig is.

 

 

Paragraaf 7: De overheid grijpt in

 

De overheid koopt ook producten (diensten) van bedrijven. De bestedingen in de economie stijgen als:

  1. de overheid meer koopt (legervoertuigen, meer personeel op scholen enz.)
  2. de overheid de belasting verlaagt (daardoor hebben mensen netto meer geld over en kunnen ze meer kopen of de werkgevers hebben minder kosten)
  3. de sociale premies verlaagt (premies voor werkloosheid, bijzondere ziektekosten)

De loonkosten dalen dus als de overheid de inkomstenbelasting verlaagt en de  sociale premies lager worden.

De overheid kan ook anders ingrijpen:

-          subsidies voor bepaalde banen (de overheid legt geld erbij waardoor sommige mensen weer aan het werk kunnen omdat de loonkosten dan niet zo hoog zijn)

-          andere subsidies voor bv de kinderopvang

 

 

Hoofdstuk 8: Productie en technologie

Paragraaf 1: aardappeltechnologie

 

Consumenten veranderen regelmatig van behoeften of wensen. Dit heeft voor bedrijven die produceren soms grote gevolgen:

1.     sommige producten worden niet meer gekocht en verdwijnen daardoor

2.     er moeten nieuwe of verbeterde producten komen

3.     sommige bedrijven verdwijnen daardoor

Als ondernemer kun je je hiertegen beschermen door innovatie toe te passen (innovatie = het vernieuwen of verbeteren van producten)

Dit kun je op twee manieren doen:

a.     je brengt totaal nieuwe producten op de markt

b.     je verbetert of vernieuwt je productiemethode (bv door automatisering)

Voordat je een nieuw product op de markt brengt moet je wel aan een aantal belangrijke zaken denken:

1.     heb je voldoende marktonderzoek gedaan of er wel voldoende behoefte is aan je nieuwe product

2.     heb je voldoende technisch onderzoek gedaan naar de kwaliteit, milieueisen, houdbaarheid, volksgezondheid enzovoort.

 

Paragraaf 2: Innovatie in een bedrijf:

 

Als bedrijven nieuwe technologie toepassen dan verdwijnen er meestal arbeidsplaatsen voor laaggeschoolde arbeidskrachten (die productie gaat vaak naar de lage lonen - landen) Er is dan vaak nieuw werk voor hoger opgeleid personeel.

De arbeidsomstandigheden veranderen ook sterk door nieuwe productietechnieken. Vroeger hadden veel arbeiders last van lichamelijke klachten (rugklachten, last van de knieën enz.) Die klachten verdwijnen, maar daar komen nieuwe klachten voor in de plaats:

1.     overgewicht door veel zittend werk

2.     muisarm (RSI) door veel computergebruik

3.     stress doordat alles veel sneller gaat en er meer van je verwacht wordt

Door nieuwe technologieën daalt soms ook het grondstofverbruik. Dit heeft positieve gevolgen voor:

a.     het milieu (er hoeven minder bomen te worden gekapt, er hoeft minder CO2 uitstoot plaats te vinden, minder transport enz.)

b.     de bedrijfskosten: minder geld kwijt aan het aanschaffen van grondstoffen en het opslaan daarvan.

Het gevolg daarvan is dat de bedrijven weer meer winst kunnen maken en dat daardoor de werkgelegenheid weer omhoog gaat.

 

 

 

Paragraaf 3: Het metselbedrijf en Paragraaf 4: Het installatiebedrijf

 

Iedere ondernemer wil dat de werknemers zo veel mogelijk produceren voor het bedrijf. De gemiddelde productie die de werknemers in een bedrijf leveren noem je de arbeidsproductiviteit. Hoe hoger de arbeidsproductiviteit hoe meer de werknemers aan productie leveren.

Om je arbeidsproductiviteit te beoordelen moet je als ondernemer jouw gegevens over de arbeidsproductiviteit kunnen vergelijken met andere gegevens. Dit kan op twee manieren:

Interne vergelijkingen = binnen jouw bedrijf bekijk je de arbeidsproductiviteit van verschillende jaren achter elkaar. Bijvoorbeeld de arbeidsproductiviteit van 2004, 2005 en 2006. Je kunt dan goed zien of de productiviteit is toegenomen of afgenomen. Je kan dan eventueel ook gaan proberen de oorzaken van die stijgingen of dalingen te vinden en eventuele maatregelen nemen.

Externe vergelijkingen = jouw gegevens over de arbeidsproductiviteit vergelijken met andere bedrijven binnen jouw vak (branche). Meestal krijg je van vakorganisaties gemiddelde cijfers toegestuurd en kun je kijken of jouw bedrijf het goed doet of niet en daar weer maatregelen voor verzinnen.

 

Hoe bereken je de arbeidsproductiviteit?

Je hebt de totale productie nodig van een bepaalde periode. Die deel je door bijvoorbeeld het aantal gewerkte uren van al het personeel. Dan heb je de arbeidsproductiviteit per uur. (dit kan ook per maand, per week, per dag enz.)

Je kan ook de arbeidsproductiviteit per werknemer uitrekenen. Je deelt de totale productie door het aantal werknemers van je bedrijf. (het aantal werknemers kan best 4,6 zijn...als je werkt met parttimers)

 

Bijvoorbeeld: de totale productie van een bedrijf bedraagt € 3.600.000,- er werken 45 werknemers in dat bedrijf. De arbeidsproductiviteit per werknemer is dan :

€ 3.600.000 : 45 = € 80.000  ( als dit landelijk gemiddeld in jouw branche nu € 87.000 is dan moet je proberen de arbeidsproductiviteit te verhogen, jouw werknemers leveren dan te weinig op of je hebt teveel personeel

 

De arbeidsproductiviteit per werknemer stijgt als dezelfde hoeveelheid werknemers meer produceren, of als minder werknemers hetzelfde produceren. De arbeidsproductiviteit daalt als hetzelfde aantal arbeiders minder produceren of als meer arbeiders hetzelfde produceren als daarvoor.

De arbeidsproductiviteit in een bedrijf is hoog als :

ü     het personeel gemotiveerd is (graag en goed wil werken)

ü     het personeel snel kan werken (daar kun je dingen voor regelen)

ü     het personeel weinig moeite heeft met het werk wat ze moeten doen

 

Hoe kun je als ondernemer de arbeidsproductiviteit verhogen?

1.     Door scholing van het personeel

2.     Door goede arbeidsomstandigheden

3.     Door goede arbeidsvoorwaarden (salaris, bonussen enz)

4.     Specialisatie (sommige mensen kunnen bepaalde dingen heel goed, laat die mensen dan ook dat werk doen)

5.     Ervaring (maak gebruik van de mensen met ervaring binnen je bedrijf.

 

 

Paragraaf 5: Het administratiekantoor en paragraaf 6: Ieder zijn taak

 

Ondernemers zullen proberen om de arbeidsproductiviteit hoger te maken. Hoe meer een arbeider oplevert aan productie hoe beter dat vaak voor de ondernemer is.

Twee manieren om de arbeidsproductiviteit echt te verhogen zijn:

ü     Mechanisering: de medewerkers krijgen bij de productie 'hulp' van machines waardoor het werk sneller en effectiever gaat. Bijvoorbeeld in de bouw het gebruik van een betonmolen in plaats van zelf beton maken met water en cement. Denk aan schoonmaakmachines ipv een winkelcentrum met een dweil aanvegen.

ü     Automatisering: de medewerkers vervangen door machines of computers of robots (apparatuur) denk aan de tegenwoordige autofabriek waarbij auto's soms volledig in elkaar worden gezet door robots. In de coca cola fabriek gebeurt bijna alles volautomatisch.

Mechanisering en automatisering zorgen voor enorme bezuinigingen op de loonkosten. Maar machines en automaten zijn natuurlijk ook niet gratis. Deze moeten worden aangeschaft, onderhoud aan gepleegd worden, servicebeurten krijgen, energiekosten kunnen hoog zijn enz. De afschrijvingskosten (weer 'sparen' voor een nieuwe machine over een aantal jaren) zijn soms ook erg hoog.

De loonkosten per product zullen echter dalen. En in Nederland , waar de lonen van werknemers in verhouding tot andere landen erg hoog zijn, zal dat een positief effect op de winst hebben van een onderneming.

 

De waarde van de productie van een bedrijf is het verschil tussen de opbrengst (omzet) van het bedrijf en de inkopen van het bedrijf. Wat het bedrijf niet uitgeeft aan inkopen bij andere bedrijven (goederen en/of diensten) wordt uitgegeven aan inkomens . De waarde van de productie = de inkomens die uit een bedrijf worden verdiend.

De totale Nederlandse productie = het totaal van alle Nederlandse inkomens

Het gemiddelde inkomen noemen we ook wel het Nationaal inkomen per hoofd van de bevolking. Dat is in Nederland vrij hoog omdat we veel gemechaniseerd en geautomatiseerd hebben.

De arbeid (of het werk), waar dan ook, moet vaak verdeeld worden over meerdere personen. Dat kan thuis binnen het gezin(tussen de verschillende gezinsleden), dat kan in een bedrijf (tussen de verschillende werknemers) dat kan tussen bedrijven (het ene bedrijf regelt dit, het andere bedrijf regelt dat, of tussen gezinnen, bedrijven en de overheid. Als je de arbeid of het werk goed verdeeld dan:

ü     Groeit de productie

ü     Groeien dus ook de inkomens

ü     Is er dus vaak meer welvaart

Nadeel van een volledige arbeidsverdeling:

ü     Je doet maar een deel van het werk, en voel je voor de rest niet verantwoordelijk (vaak zorgt dit voor minder motivatie)

ü     Je wordt erg afhankelijk van andermans productie (als een afdeling of een persoon niet goed functioneert en jij bent de volgende schakel in het productieproces, dan heb jij ook een probleem.

 

 

Paragraaf 7: Het bloembollenbedrijf

 

Een ondernemer wil soms best hogere kosten maken in zijn bedrijf, als die extra kosten er maar voor zorgen dat er uiteindelijk meer opbrengsten komen. Hij vindt het misschien ook niet erg dat de opbrengsten een keer omlaag gaan, als de kosten maar sneller omlaag gaan....zodat hij uiteindelijk altijd meer winst overhoudt!!

 

Maatschappelijke kosten= kosten die worden veroorzaakt door meerdere bedrijven, personen, waarvan er niet één duidelijk verantwoordelijk is. Bijvoorbeeld de milieuvervuiling, of de toename van stress op het werk in het algemeen.

Deze kosten leveren twee soorten schaden op:

1.     Materiële schade = de schade die in geld is uit te drukken (bv olieramp bij het zinken van een tanker voor de kust....kost geld om de troep op te ruimen)

2.     Immateriële schade = schade die niet echt in geld is uit te drukken (mensen met astma kunnen bij bepaalde weersomstandigheden in een industriegebied niet goed ademhalen door milieuvervuiling. Er komen steeds meer allergieën, waarschijnlijk door het milieu, er zit een gat in de ozonlaag waardoor zonnestralen gevaarlijk zijn. Enz.

Een bedrijf heeft ook maatschappelijke baten (voordelen, opbrengsten)

1.     Materieel (stijging van de werkgelegenheid  en waardoor de inkomens stijgen enz.)

2.     Immaterieel (als mensen aan het werk zijn zijn ze vaak gelukkiger, meer sociale contacten, enz)

 

Maatschappelijke kosten en baten hebben geen invloed op:

1.     De nettowinst van producenten (alleen maatschappelijk en niet voor het ebdrijf zelf

2.     De verkoopprijs van producten die de producent zelf berekent

 

Door milieuvriendelijk te produceren dalen de maatschappelijke kosten, maar producenten letten eerder op hun eigen kosten en hun eigen omzet

Terug